Over bullet journaling, boeken, productiviteit en meer dingen die mij blij maken!

Les 5: tijd, ruimte en kracht

Les 5: tijd, ruimte en kracht

In de les hebben in totaal vijf opdrachten uitgevoerd. De ideeën kunnen we weer meenemen naar de praktijk. Het gaat hierbij om de volgende vijf spellen:

  1. Mirror mirror
  2. Wie is de dirigent?
  3. Slang
  4. Sporten uitvoeren met tijd, ruimte en kracht
  5. Maak een toneelstukje met vier bewegingen

Mirror mirror

Je gaat met de klas in een grote kring staan. Je begint met een korte warming-up. De docent kiest een beweging die de hele klas na gaat doen. Denk hierbij aan het draaien met de schouders, heupgewrichten losmaken etc. Hierna volgt direct de volgende opdracht. Om de beurt kiest een leerling voor een beweging. De rest van de groep doet die beweging na. Hierna kiest de persoon naar hem een beweging. De rest van de groep doet de beweging weer na. Je kunt hierbij denken aan het klappen in je handen, het stappen van links naar rechts, een rol naar voren, een rondje draaien of een stukje dansen. Je doet dit net zo lang totdat iedereen een keer aan de beurt is geweest.

Op deze manier heb je op een veilige manier een introductie van dansen gedaan. Je kunt de beweging zo eenvoudig mogelijk maken of juist zo moeilijk mogelijk maken als je zelf wil.

Geef de leerlingen als docent wel één beweging. Bijvoorbeeld het heen en weer stappen van links naar rechts. Wanneer de leerlingen het lastig of eng vinden om zelf een beweging te bedenken hebben ze iets om op terug te vallen wat ook helemaal niet erg is.

Vakinhoudelijk doel: Je moet een beweging van een ander exact na kunnen doen, ook al wordt het voor jou bijvoorbeeld in spiegelbeeld uitgebeeld.

Pedagogisch doel: Je moet een nieuwe beweging in durven zeggen. Je kunt kiezen voor de veilige weg, maar je kunt het ook heel lastig maken. Het is wel belangrijk dat er een back-up is gegeven door de leerkracht. Hierdoor hebben de verlegen kinderen iets om op terug te vallen als ze het echt niet weten.

 

Wie is de dirigent?

Een persoon uit de klas gaat naar de gang. De rest van de kinderen kiest een dirigent. De dirigent gaat de bewegingen bepalen. De rest van de groep moet hem/haar nadoen. De persoon van de gang komt weer naar binnen en gaat in het midden van de kring staan. Hij/zij probeert te ontdekken wie de bewegingen start en wie dus de dirigent is.

 

Vakinhoudelijk doel: Je moet onopvallend een beweging van een ander overnemen. De persoon in het midden mag het niet raden.

Pedagogisch doel: Vooral het aanwijzen van de dirigent vergt nog wel wat durf. Je bent wel verantwoordelijk voor een hele groep als individu.

 

Sporten uitvoeren met tijd, ruimte en kracht

Iedere leerling krijgt een post-it. De leerlingen schrijven hier allemaal een sport op. De post-its wordt door de zaal heen op de grond geplakt. De leerlingen noemen hun sport op wanneer ze hem opplakken. Zo voorkom je dat je veel dezelfde sporten krijgt.

De leerlingen mogen nu allemaal rond gaan lopen in de ruimte. Wanneer de muziek aangaat, moeten ze bij het dichtstbijzijnde post-it stoppen. De leerkracht geeft ze een bepaalde manier waarop ze de sport uit moeten voeren. Voorbeelden hiervoor zijn dat ze de sport in slow-motion, heel snel, heel laag of heel klein uit moeten voeren. Het kan zijn dat je met twee leerlingen bij dezelfde sport eindigt. In dit geval voer je beide de sport uit. Het mag wel op je eigen manier.

Vakinhoudelijk doel: De kinderen oefenen met de begrippen tijd, ruimte en kracht.
Pedagogisch doel: Je moet een bepaalde sport in je eentje durven uitvoeren. De hele klas doet allemaal iets anders.

Maak een toneelstukje met vier bewegingen

Lees een boek voor aan de klas, bijvoorbeeld ‘Juf Kachel’. Je verdeelt de klas in groepen van ongeveer 4 à 5 personen. Het onderwerp waar de leerlingen iets bij moeten verzinnen is in dit geval de klas van juf Kachel. In de klas van juf Kachel zitten ondeugende kinderen. Wanneer de juf ze daarop betrapt, pakt ze de leerlingen hard aan. Ze geeft een harde tik op de vingers om ze te corrigeren.

Ieder groepje bedenkt een viertal bewegingen die ze (grotendeels) tegelijk en achter elkaar uitvoeren. Je kunt bijvoorbeeld kauwgom zitten te eten, het onder je stoel plakken, een klap krijgen van de juf, schrikken en pijn hebben en weer terug gaan zitten op je stoel. Waarna het toneelstukje zich opnieuw af zal gaan spelen. De kauwgom komt weer tevoorschijn, wordt onder de stoel geplakt enzovoort. Je kunt er voor kiezen om met zijn allen dezelfde beweging aan te wijzen. Je zou er ook voor kunnen kiezen om één iemand te benoemen tot juf Kachel.

Op het moment dat ieder groepje z’n eigen bewegingen heeft bedacht, kun je hier een soort toneelspel van gaan maken. Laat eerst ieder groepje een keer aan de andere groepjes de bedachte bewegingen zien. Hierna ga je als leerkracht bepalen welk groepje wanneer aan gaat. De groepjes blijven de bewegingen achter elkaar herhalen totdat de leerkracht een bepaald groepje weer uit zet.

Vakinhoudelijk doel: Je moet een mini toneelstuk synchroon op kunnen voeren.
Pedagogisch doel: Je moet je heel erg bewust zijn van je bewegingen. Je moet in je bewegingen durven uiten hoe jij je op dat moment voelt en wat je aan het doen bent

 

 

 



Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *